Als een vis in het water
Iedere leerling heeft recht op goed, passend onderwijs, gegeven door voor deze taak opgeleide, adequaat toegeruste docenten. Zo moet het zijn en niet anders. Als de huidige maatschappij om anders opgeleide mensen vraagt dan moet het onderwijs aan deze vraag tegemoet komen. Als leerlingen van nu andere leerstijlen hebben dan tien jaar geleden dan moet de docent hieraan tegemoet komen. Maar, als dit soort veranderingen plaats hebben binnen het onderwijsveld dan moeten docenten ook anders opgeleid worden, zij moeten in staat zijn het onderwijs wat zij geven aan deze nieuwe eisen aan te passen.
Halverwege de jaren negentig gebruikte de Utrechtse hoogleraar digitale didactiek Simons voor het eerst de term ‘het nieuwe leren’. Hij stelde toen dat leerlingen om goed voorbereid te zijn op de eisen die de huidige maatschappij aan ze stelt “iets anders zouden moeten leren dan vroeger”. “Daar zijn nieuwe manieren van leren voor nodig, nieuwe onderwijsmethoden en nieuwe vormen van toetsing.” Tien jaar later staat die term nieuwe leren hevig ter discussie; steeds vaker worden allerlei vormen van ‘vernieuwend’ onderwijs maar meteen onder de noemer nieuwe leren geplaatst. Zo kennen we inmiddels het actief leren, praktijkgericht onderwijs, coöperatief leren, competentiegericht onderwijs, probleemgestuurd onderwijs, authentiek en betekenisvol leren, natuurlijk leren, zelfstandig leren, werkplek leren, levensecht leren, en zelfverantwoordelijk leren. Allemaal namen voor nieuwe onderwijsconcepten op middelbare scholen, HBO’s en MBO’s. Wat echter vaak vergeten wordt is dat de invoering van zo’n concept behalve de instemming, ook hele andere vaardigheden van een docent vereist. Scholen waar men zonder scholing van het personeel ertoe overgaat nieuwe onderwijsmethoden in te voeren zijn er gezien de klachten uit het onderwijsveld meer dan genoeg. En hoe je een concept ook noemt, wanneer de uitvoerenden er niet achter staan, of niet achter kunnen staan omdat ze geen idee hebben wat er van ze verwacht wordt dan is dat concept gedoemd te mislukken.
In de strijd om de gunst van de leerlingen en zijn ouders voeren steeds meer scholen één of ander nieuw onderwijsconcept in. Er dient vernieuwd te worden, of de leraar en de leerling dat nu willen of niet. Maar, is niet de docent degene die weet wat de leerlingen in zijn klas nodig hebben? Laat hem beslissen wat hij aan nieuwe vormen van didactiek gebruikt in zijn les. Niemand, een docent niet, en ook een leerling niet is gebaat bij het invoeren van een concept omdat dat nu eenmaal zo hoort in de huidige maatschappij. Ik weet uit mijn eigen ervaring dat er nog altijd leerlingen zijn die het best gedijen in een systeem waar de stof in kleine stukjes aangeboden wordt, die hechten aan klassikale instructie. Tegelijkertijd merk ik dat hun (taal)vaardigheid gebaat is bij samenwerken en dat een aantal leerlingen na een basisuitleg zelfstandig verder kan werken. Geef ik dan opeens het nieuwe leren? Nee, ik heb een inschatting gemaakt van de behoeften van mijn leerlingen en mijn manier van lesgeven daarop aangepast met allerlei voorhanden zijnde vormen van didactiek.
Als student aan de HRO maak ik regelmatig mee dat er nog wel één en ander fout kan gaan wanneer zo’n concept ingevoerd wordt. Op de HRO geeft men competentiegericht onderwijs. Volgens de HRO houdt dit in: zelfstandig werken, aanleren van vaardigheden als presenteren, communiceren, analyseren en samenwerken. Dat is een mooie lijst met competenties die een docent in zijn beroepspraktijk inderdaad hard nodig heeft. Wanneer je als student deze vaardigheden goed onder de knie hebt kun je er vanuit gaan dat je een goed docent kunt worden. Hier bevindt zich echter meteen een grote valkuil van het competentie gericht leren. Hoe zit het met de kennis? Onderwijs is tenslotte kennisoverdracht. Die kennis moet de student zich zelfstandig eigen maken; aan de hand van opdrachten van de docent wordt een dossier of portfolio samengesteld. Een dik pak papier waarin de student aantoont te beschikken over de kennis die van hem verwacht wordt. En de vaardigheden, hoe toets je die? Je laat studenten samenwerken en samen een dossier inleveren. Je laat studenten telkens weer presenteren. Maar als docent geef je geen feedback op de presentaties, hooguit op de inhoud, de kennis dus. Hoe de vaardigheden communiceren en analyseren beoordeeld en onderwezen worden is me niet helemaal duidelijk, waarschijnlijk zitten die verweven in de andere toetsmomenten. Het mag duidelijk zijn dat door deze werkwijze mijn waardering voor het competentiegericht leren niet erg groot is.Het lijkt erop alsof hier sprake is van het willen volgen van het concept omwille van het (van boven opgelegde) concept. Op deze manier word ik, en met mij vele medestudenten slachtoffer van de drang naar het nieuwe leren. Ik merk regelmatig dat mijn theoretische kennis tekort schiet wanneer ik voor de klas sta. Die moet ik mij dan maar zelf eigen maken zal een nieuwe leren docent zeggen. Maar wat doe ik dan op de HRO? Waar studeer ik dan voor? Om vaardigheden aan te leren, hier en daar aangevuld met een beetje kennis? Nee, ik heb als docent Nederlands een brede theoretische kennis nodig, wanneer ik die bezit heb ik allerlei vaardigheden nodig om met deze kennis aan de slag te kunnen. Maar maak ik mij dan geen kennis eigen terwijl ik aan het samenwerken ben? Heb ik dan geen theoretische kennis nodig om een goed dossier samen te kunnen stellen? Jawel, zeker, mits de beoordeling van dat samenwerken, het presenteren en het in te leveren dossier aan strikte regels gebonden zijn. Duidelijke eisen en heldere beoordelingscriteria. Simons zei het al: deze manier van werken vraagt om nieuwe onderwijsmethoden en nieuwe vormen van toetsing. Knap ingewikkeld allemaal. Wat is er mis met een eenvoudige toets of repetitie om te zien of een student zich de kennis eigen gemaakt heeft? Het is de simpelste en meest heldere vorm van toetsing voor zowel docent als student. Daarnaast kan dan in de lessen een toetsmoment komen om de andere vaardigheden te toetsen. Of deze vaardigheden moeten explicieter getoetst worden. In het huidige systeem voel ik me als een vis in het water, maar dan wel een hele grote oceaan en niemand wijst me de weg.
De meeste loten aan de stam van het nieuwe leren zijn zeker een verrijking van de didactische werkwijzen, maar een betere afstemming op de doelgroep en op de beroepspraktijk is wenselijk. Nu wordt er te vaak en teveel geëxperimenteerd vanuit een ongebreidelde vernieuwingsdrang. We moeten ervoor oppassen niet teveel door te schieten in deze drang maar de leerling en zijn belang voorop blijven stellen. Wanneer een school besluit over te gaan tot aanpassen van een heel onderwijsconcept dan moet dit gepaard gaan met een goede begeleiding en scholing van het personeel. Een leerling verdient goed onderwijs gegeven door goed opgeleide en gemotiveerde docenten.
No comments yet
Jump to comment form | comments rss [?] | trackback uri [?]